Fictie

Winnares Andries Greiner prijs

In 2015 won ik de IVIO-Andries Greiner prijs voor Flevolands schrijftalent. Naar aanleiding van het thema 'behekst' schreef ik een verhaal waarin een jong meisje de grondlegger van haar geboortegrond ontmoet. Deze man is niemand minder dan Cornelis Lely en hij laat haar niet gaan voordat ze hem vertelt hoe zijn levenswerk na zijn dood vorm heeft gekregen... 

Andries Greinerprijs
prijsuitreiking Andries Greinerprijs Flevoland
verhaal over Lelystad

Over de golven


‘Wie schilt de steen,

wie snijdt het water.

Over de golven heen,

loop ik naar later.’

Jan Wolkers


De ziltige wind raast over de robuuste, met wier bedekte basaltblokken. Tussen de blokken zit een gehurkte gedaante naast een stapel wilgentakken. Chris knijpt haar bruine ogen tot spleetjes en sluipt dichterbij. Vandaag is een uitzonderlijk grauwe dag. Gisteren was het nog bloedheet. Het klotsen en schuimen van de golven lijkt ook te zijn toegenomen. De poepende man trekt zijn broek op, draait zich abrupt om en kijkt haar richting op. Het is een stevige, maar magere man. Zijn huid is ruw en stevig als leer en zijn handen zijn groot als kolenschoppen. Hij draagt ouderwetse kleren. Het geluid van zijn klompen op de dijk komt nauwelijks boven het suizen van de wind uit. ‘Euh, pardon!’ schreeuwt Chris zodra haar verbijstering heeft plaatsgemaakt voor het besef van haar ongegeneerde voyeurisme. De man lijkt haar niet op te merken en loopt van haar vandaan. 


Chris aandacht verschuift naar de donkere wolken die aan de hemel verschijnen. Er is iets helemaal mis met deze plek. De anders zo vrolijk ogende bakstenen huisjes met oranje dakpannen lijken met de minuut verder af te brokkelen en de bomen beginnen heel langzaam te krimpen. Rukwinden spelen met haar korte, zwarte haren. Een felle bliksemflits zorgt ervoor dat Chris razendsnel in actie komt en een schuilplek zoekt. Ze duikt een schuurtje in waar het ruikt naar aardappelen. Zodra ze de deur achter zich dicht slaat wacht ze gespannen op de donderslag en sluit haar ogen. 


‘Kan ik u ergens mee helpen, jongedame?’ Een wat dikkige man met een puntbaard en een snor kijkt haar nieuwsgierig aan met een vriendelijke, maar strenge blik. Zo te zien is de schuur veranderd in een werkkamer. Op het bureau liggen stapels tekeningen en een aantal boeken. ‘Ik ben een tikje verdwaald, geloof ik’ zegt Chris. ‘aha, juist’. Iets in de stem van de man klinkt vreemd. Deftig, zoals in oude films. Hij geeft haar een stevige handdruk, ‘Cornelis’ zegt hij plechtig. ‘Christina’. De man komt haar bekend voor. ‘Laten we een stukje wandelen op de dijk, het is prachtig weer!’, hij neemt haar mee naar buiten. Chris knippert tegen het felle zonlicht. De hemel is nu babyblauw en volkomen wolkeloos. Afgezien van het krijsen van meeuwen en het kabbelen van de golfjes tegen de dijk is het stil. Cornelis kijkt spiedend om zich heen. ‘Zeg eens, Christina, waar woon jij?’. Het lijkt of hij die vraag al zijn hele leven wilde stellen. ‘Ik woon in Lelystad’, zegt Chris, ‘waar eh.. zijn we nu precies?’ voegt ze er aarzelend aan toe. Hij lijkt haar vraag niet te hebben gehoord en herhaalt alleen haar woonplaats. Hij spreekt het woord langzaam uit, alsof hij het wil proeven. Zijn ogen glunderen, 'Lelystad..’. ‘Hoe ziet dat er uit?’ vraagt hij gretig. Hij lijkt wel behekst. Net als Chris wil antwoorden kijkt Cornelis schichtig langs haar heen. Daar komt een kaal mannetje met een rond brilletje aangelopen met haastige tred. Hij draagt een koffertje en strijkt denkbeeldige plooien uit zijn kreukloze pak. ‘Ik moet helaas gaan, tot ziens juffrouw’. Als Chris zich naar Cornelis omdraait is hij alweer weg. Het kale mannetje stopt, loert nog even rond en draait zich dan kortdaad weer om. Hij mompelt iets binnensmonds. Chris kijkt hem peinzend na. ‘Meneer, weet u waar ik ben?’ Hij lijkt haar niet te horen.


De zon zweeft net boven de horizon en geeft alles een warme kleur. ‘Ze zien me niet’, ‘ze kunnen me niet zien’ fluistert Chris tegen het schitterende water. Telkens als ze iemand om hulp vroeg werd ze straal genegeerd. Ze keilt kleine, glanzende steentjes in de golven. Naast haar zit het kale mannetje zijn boterhammetjes op te eten. Af en toe mompelt hij wat. Om niet helemaal alleen te zijn, is Chris hem maar gevolgd. 

‘Verover mij dat land, zegt ie’, zegt het mannetje. Hij lacht honend, maar zijn ogen lachen niet mee. ‘Te veel idealen heeft hij.. idealen zijn gevaarlijk’. Chris kijkt hem een tijdje peinzend aan. Langzaamaan vallen verschillende puzzelstukjes op hun plek en begint haar te dagen waar ze Cornelis van kent. Alleen dat mannetje kan ze nog niet plaatsen. Dan staat ze op om een stukje te lopen. Misschien kan ze ergens wat eten vinden. 


Na tien minuten lopen ziet Chris een kraampje in de verte. De geur van vers gebakken patat waait haar tegemoet. Als ze dichterbij komt, ziet ze een man in de kraam staan met zijn rug naar haar toe. Ze is de enige klant. Blijkbaar hoort hij haar aankomen want hij draait zich om. ‘Cornelis?’ zegt Chris verbaasd. ‘Dag juffrouw, het spijt me dat ik er zo plotseling vandoor moest’. De verbazing op Chris gezicht maakt plaats voor een strenge blik. ‘Jij hebt mij naar jouw tijd gehaald hè?’, ‘Ik wil naar huis’, zegt ze zakelijk. ‘Ach, nou..’ stamelt Cornelis. Zijn wangen kleuren roze. Chris bedenkt zich iets. ‘Waarom ben jij de enige die mij kan zien?’ vraagt ze. ‘Dat zal wel te maken hebben met mijn visionaire blik, denk ik zo’, zegt de patatbakker met een zweem van trots in zijn stem. ‘Aangezien u een product bent van de toekomst, ziet u wel?’. Chris neemt een paar tellen om daar over na te denken. Op haar voorhoofd verschijnt een frons. Ze haalt adem om wat te zeggen maar bedenkt zich weer.  Dan gebaart ze naar de patatkraam, ‘doe mij dan maar een patatje met’. Cornelis kijkt haar even aan met een vragende blik en frunnikt dan wat aan zijn petje. ‘Eh, juist..’, ‘Deze kraam is meer een soort, eh, vermomming voor de Tijd’. Chris is even stil terwijl ze hem confronterend aan kijkt. Haar wapperende haren zijn het enige aan haar wat beweegt. ‘Geen patat dus’, zegt ze. De meeuwen op het dak van het kraampje lijken teleurgesteld te krijsen. Dan herstelt ze zich. ‘Wacht even, de Tijd?’. Cornelis knikt treurig. ‘Ja, die man in het pak’, ‘hij bewaakt de tijdsgrens en hij houdt me in de gaten’. Cornelis krijgt weer die bezeten blik in zijn ogen. ‘Ik wil alleen maar weten..’. Cornelis kijkt onthutst naar een plek naast Chris. ‘Wat wil jij weten, Lely?’ De Tijd is ongemerkt naar de kraam geslopen en kijkt argwanend naar Cornelis terwijl hij schichtige blikken werpt in de richting van het meisje dat hij niet kan zien. Cornelis duikt zijn kraampje uit en zet het op een lopen. Het mannetje holt erachteraan. Chris blijft weer alleen achter. De deur van de kraam staat nog open.


Het water is dan wel mooi, in de eeuwigheid zal dit uitzicht behoorlijk gaan vervelen. Chris zit in kleermakerszit op de dijk en kauwt mijmerend op een patatje. Om naar huis te kunnen moet ze Cornelis vertellen hoe Lelystad er uit is komen te zien, maar als ze dat doet, zal de Tijd hun komen storen. Er moeten toch meer manieren zijn om naar huis te gaan.. Ze staart naar de golven. Een willekeurige herinnering aan een fietstocht langs de IJsselmeerdijk komt bij haar op. Die dijk beschermt Lelystad tegen het IJsselmeer. Het was een warme zomerdag, maar de eeuwige wind op de dijk hield haar koel. In de verte zag ze drie grote, op elkaar gestapelde blokken steen tegen de achtergrond van een energiecentrale. De blokken leken een stukje boven elkaar te zweven en waren hier en daar bedekt met gelig korstmos. Op de stenen stond een tekst van Jan Wolkers uit 1996, haar geboortejaar. Wat stond daar ook al weer? 

Wie schilt de steen, wie snijdt het water. Over de golven heen, loop ik naar later.

Chris zucht. ‘Was het maar zo simpel’. Uit haar ooghoek ziet ze een grote, witte meeuw aankomen. Hij steelt een patatje van haar. Zijn vleugel scheert rakelings langs haar gezicht. 

Uit pure verveling rent ze hem achterna richting het water. Als ze vlak voor de grens tussen land en water staat, deinst ze terug. Ze voelt spetters van de golven op haar huid. De zeelucht geeft haar een vreemd soort energie. Dan verschijnt een kinderlijke grijns op haar gezicht. Voorzichtig tilt ze haar rechterbeen op en zet een stap naar voren. Haar lach rolt over de golven. Ze kijkt nog een laatste keer terug naar het verleden en ziet een mistroostige Cornelis naar haar kijken. Misschien is het ook maar beter dat hij het niet weet.

Poëzie

Stadsdichterverkiezing 2019

Vrienden, poëzie en wijn, zijn dat niet de eerste levensbehoeften van de mens? Donderdagavond op 23 mei droeg ik mijn gedicht 'Lely's stad: the next level' voor tijdens de stadsdichterverkiezing in Lelystad. Helaas niet verkozen, maar het was een weergaloze avond en over twee jaar ben ik er zeker weer bij! 

Hieronder vind je de drie ingezonden gedichten:

Lely's stad: 

the next level

 

Vanaf zijn sokkel kijkt hij toe.

Hij kijkt en de meeuwen vliegen fluisterend om hem heen.

Zij fluisteren over grote grazers, felle protesten, vliegvelden, 

over het eindeloze bouwen en slopen, bouwen en slopen, bouwen en slopen.


Hij kijkt omlaag, vaderlijk, berustend,

ziet de kinderziektes, de mijlpalen.

De stad kijkt omhoog, vertwijfeld soms

dan weer eigenwijs, trots.


Hij zag haar rusteloze puberjaren,

de verveling, het vandalisme.

Hij ziet haar groeien, in het diepe duiken.

Haar veranderende smaak, ze durfde kleur te dragen, 

trok de aandacht.


Hij kijkt en lijkt te zeggen:

‘ik hou van je. 

Ondanks je buien, je brutaliteit, je fouten en je harde woorden, heb ik je lief.

Zorg goed voor jezelf

en voor elkaar.’ 

Koude kermis

(Ode aan de vriendschap en aan de godverlaten kermis in Lelystad)


Er is weer kermis in de stad

langs de desolate straten, koud en nat.

Als een felgekleurd eiland 

in een zee van grauw,

verrijst daar de kermis, achter jou.


Regendruppels op de zweef, de bots en jou en mij.

Ik tel de lege stoeltjes

nergens staat een rij.

Muziek gaat door de mixer

90’s, latin, pop erbij

misselijkmakend door elkaar geschud

tot ze bont en blauw zien,

net als wij.


Strompelend de attracties uit,

overal lichten, overal geluid.

Gebak, frituur en suikerspinnen

de geuren komen heftig binnen.

Maar zweven is leven, pijn is fijn

en ik zou nergens liever willen zijn. 

Slaapstad

Als je luistert naar de scherpe, suizende wind die over de polder raast

hoor je in de verte het geluid van leven in de grote stad.

Alles is hier wat het lijkt

als je niet beter weet, als je niet beter luistert

naar de suizende, fluisterende wind.


Soms hoor je de grauwgroene golven klotsen op het IJsselmeer

woedend op de serene, donkere aarde die nu rust op de plek waar zij vroeger speelden.

Af en toe hoor je het gonzen van forenzen op de dreven.

Zo nu en dan hoor je, heel in de verte, een briesend paard in de wildernis

en soms hoor je niets anders dan het ritselen van de wind door een beukenhaag

als je heel goed luistert.