Columns

Laat ons ook ongelukkig zijn

Ben jij gelukkig?

 

We lijken in deze tijd geobsedeerd met de vraag of we wel gelukkig genoeg zijn. Als dat niet het geval is, zoeken we manieren om gelukkiger te worden. Het liefst zo snel mogelijk. Happiness is immers ‘the truth’ volgens zanger Pharrell Williams en om die happiness te bereiken krijgen we in tijdschriften allerlei tips om onszelf en ons leven te verbeteren en het internet staat vol met positieve affirmaties en quotes als: ‘Keep your face to the sunshine and you cannot see a shadow’. Ook zelfhulpboeken als De Logica van Geluk, ontdek de formule gaan als zoete broodjes over de toonbank. Is dit erg dan? Denk je misschien. In principe niet, ik ben over het algemeen juist enthousiast over positief denken en zelfhulpliteratuur. Maar zoals bij alle goede dingen moet je oppassen dat het niet doorslaat naar het extreme.

 

Een van de grootste problemen met het geluk-perfectionisme in deze tijd, ligt in de torenhoge verwachtingen die we stellen aan ons leven. Dat verklaart ook waarom vooral de millennials, hier zit er één, massaal sneuvelen aan burn-out, depressie en angstaanvallen. Deze generaties groeien op met allerlei onrealistische beelden en ideeën over hoe ze eruit moeten zien, hoe ze moeten leven en vooral ook hoe ze zich zouden moeten voelen. Daar komt nog bij dat alles maakbaar is, dus zit je in een dip? Neem een pil, verander van baan, ga sporten, kortom: doe iets aan jezelf! Ook dit is op zich geen verkeerd idee. Het gaat echter mis op het moment dat er meer nodig is dan een sportschoolabonnement of carrièreswitch. Wat als je opeens nergens meer zin in hebt, als een dierbare overlijdt, je arbeidsongeschikt wordt of als alles ontzettend tegenvalt? Het antwoord is dat er simpelweg geen simpele oplossing is. Het zal moeilijk zijn en je zal geduld moeten hebben. Maar juist de wetenschap dat er geen simpele oplossing is, kan troost bieden. Het haalt wat druk van je schouders; het is niet altijd je eigen schuld dat je niet gelukkig bent. Bovendien kan bijvoorbeeld juist het dragen van verdriet heel vervullend zijn volgens psychiater Dirk de Wachter, schrijver van Borderline Times en De Kunst van het Ongelukkig zijn. ‘Laat ons ook ongelukkig zijn’ zegt hij. Het is  vooral in de moeilijke tijden dat mensen naar elkaar toe groeien. Zo heb ik afgelopen maand juist door mijn gebroken hart ontzettend veel waardering en dankbaarheid gevoeld voor familie en vrienden.

 

Een ander gevaar van het geluk-perfectionisme blijkt al uit de eerder genoemde quote: ‘Keep your face to the sunshine and you cannot see a shadow’, we keren ons af van de schaduwzijden van het leven. Hiermee geven we onszelf onbewust het idee dat we bepaalde ongemakken en lastige emoties niet aankunnen. Zolang je dat gelooft, klopt het ook. Hoe vaker je het ongemak uit de weg gaat, hoe beangstigender het wordt om de confrontatie aan te gaan. Omgekeerd is het dus ook mogelijk om ‘ongelukkig te leren zijn’. Te beginnen met het bijstellen van je verwachtingen en erop leren vertrouwen dat je het best aankan om af en toe in de schaduw te staan. Dat besef maakt mij dan weer wat gelukkiger.

(Gepubliceerd in april 2019 op de Facebookpagina van Tekstbureau Woordenschat)

ASMR: een tedere revolutie

Fluisterende kappers die zorgvuldig je haar doorkammen, studiesessies  waarbij mensen geconcentreerd bladzijden omslaan en aantekeningen maken  en dames die met hun lange, gelakte nagels zachtjes op hun smartphone  tikken: steeds meer mensen ontdekken het wonderlijke YouTube-fenomeen  genaamd ASMR. In dit genre creëren miljoenen creatievelingen wereldwijd  filmpjes waarin ze hun kijkers fluisterend of zacht pratend helpen te  ontspannen. ASMR staat voor autonomous sensory meridian response:  het aangenaam tintelende gevoel dat zich vanuit je kruin of je  ruggengraat verspreidt wanneer iemand bijvoorbeeld in je oor fluistert  of je zachtjes aanraakt. Maar zelfs het horen van een mooi lied of het  kijken naar iemand die langzaam en teder de was opvouwt kan ASMR  opwekken. Zo zijn er talloze genres als ‘roleplay’s’, ‘sounds only’,  ‘visual triggers’, ‘meditation’ en ‘positive afformation video’s’.


Sinds vijf jaar ben ik behoorlijk verslaafd geraakt. ASMR is precies  wat ik nodig heb na een lange, stressvolle dag of wanneer ik midden in  de nacht wakker wordt, strak van de adrenaline. Zodra ik een filmpje  opstart, kom ik langzaam op een andere plek terecht. Mijn ogen worden  zwaarder, mijn stemming lichter. Tot ik volledig versmelt met de  geluiden en mijn zorgen heel ver weg lijken.


Mijn verslaving begon naar aanleiding van een uitzending van De  Wereld Draait Door. Op een herfstavond in 2012 zaten er bij Matthijs  twee ‘fluistermeisjes’ aan tafel: Jolien Morren (RelaxingSounds92) en  Ilse Blansert (TheWaterWhispers). Zij probeerden hem duidelijk te maken  wat ASMR is en gaven een live demonstratie. Een haast kwispelende  Matthijs zat op het puntje van zijn stoel, ‘ga door, ga door’ fluisterde  hij gefascineerd.


Onvermijdelijk was de vraag of ASMR een erotische lading heeft.  Volgens Ilse was het niet hun intentie, maar zijn er wel mensen die het  als erotisch ervaren. Ook bij RTL Late Night stond deze vraag centraal  in de uitzending van 19 oktober 2016. Mijn nicht Isabel Meijering  (Isabel imagination) was te gast om te praten over ASMR, maar  uiteindelijk draaide het gesprek vooral rond het erotische aspect van de  filmpjes. Niet verwonderlijk met zoveel heren aan tafel.


Misschien is onze maatschappij zo geseksualiseerd dat we intimiteit  bijna niet meer los kunnen zien van erotiek. Dat kan verklaren waarom  veel mensen ASMR maar een vreemde bedoening vinden en dat is jammer  aangezien ASMR-tists bijdragen aan een meer liefdevolle, tedere en kalme  wereld. Zij roepen niet dat er iets moet veranderen, ze fluisteren die  verandering rechtstreeks in je oren. Ondanks de onwennige receptie van  dit YouTube fenomeen bij het grote publiek, nemen zij het risico om  online gekwetst, beledigd en uitgescholden te worden en daar is moed  voor nodig. ASMR is voor mij daarom iets bewonderenswaardigs, het is een  tedere revolutie.


(in 2018 gepubliceerd op de website van antropologisch tijdschrift Cul)

De dood leeft!

Over mijn macabere stage in een uitvaartmuseum


In het eerste jaar van mijn opleiding cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie, hielden studiegenoten een presentatie over Uitvaartmuseum ‘Tot Zover’. Een museum over de dood, dat vond ik een fascinerend idee. De studiegenoten spraken hun waardering uit over het moderne gebouw met de witte muren en de grote ramen en over de luchtige benadering van het onderwerp. 


Tientallen halsbandparkietjes op het kiezelpad vlogen kwetterend voor mij weg toen ik een paar maanden later zelf de begraafplaats op stapte, nieuwsgierig naar dat mysterieuze museum. In die tijd was De Bedroefde Bolide te zien: een tentoonstelling over lijkwagens, volgens het museum bedoeld als ‘eerbetoon aan auto’s waar we liever niet naar kijken.’ Misschien plantte die tentoonstelling wel het zaadje van de latere fascinatie voor lijkwagens die ik ontwikkelde tijdens mijn stage. 


Na het eerste bezoek keerde ik nog twee keer terug voor tijdelijke tentoonstellingen en mijn waardering voor Tot Zover groeide. In het laatste jaar van mijn opleiding was de keuze voor een stageplaats dan ook simpel. Directeur Guus Sluiter zocht toevallig nog een stagiaire. Bij wijze van stageproject onderzocht ik hoe het museum buitenlandse toeristen kan aanspreken. Best een uitdaging, zou je denken. Toch hebben het museum en de locatie veel te bieden. In mijn pauzes wandelde ik vaak over de begraafplaats. Elke keer ontdekte ik wat nieuws. Ik zag bijvoorbeeld welke bekende Nederlanders er liggen, zoals rocklegende Wally Tax en acteur en presentator Jos Brink en ik vond een citroenboompje dat iemand naast een graf had geplant. Soms zag ik groepjes mannen met lange zwarte jassen en hoge hoeden; kistdragers, ook wel ‘kraaien’ genoemd. Ze maakten een eerbiedige, serene indruk. Het leek alsof ze uit een andere tijd kwamen, dat vond ik mooi. Soms zag ik glanzende zwarte, grijze of witte lijkwagens langzaam de begraafplaats op rollen. Vanaf een gepaste afstand loerde ik naar de chique, lange wagens met vlaggetjes op de voorkant. Ook keek ik graag naar de bijzondere uitvaarten, bijvoorbeeld de Surinaamse uitvaarten met een Bazuinorkest. Vanuit het museumkantoor hoorde ik dat orkest al aankomen. Dat wat in het museum besproken wordt, kan je dus buiten in de praktijk zien. Een van de motto’s van Tot Zover vat dat mooi samen: ‘de dood leeft!’

(April 2018 gepubliceerd op de website van Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover)

Onvergetelijke ontgroening


Op 11 januari toonde het televisieprogramma Rambam schokkende beelden van studentenontgroeningen. Feuten worden genadeloos uitgekafferd, vernederd en als ze niet gehoorzamen in het gezicht gespuugd. Een undercoverstudente van Rambam vertelt: 'Het ging gewoon echt mis in m'n hoofd op een gegeven moment. Continu geschreeuw... Het werd steeds warmer en ik zat al twee uur op de grond liedjes te zingen.' Op de beelden is te zien dat de feuten van een bepaalde studentenvereniging verplicht rondlopen met beschamende hesjes en hoofdbanden. Een van die hoofdbandmeisjes wordt gedwongen te eten ondanks haar pogingen de hand die haar wil voeren af te weren. Een andere Rambam infiltrant zegt dat dat meisje even later moest overgeven. 

 

Met deze beelden in mijn achterhoofd, denk ik terug aan het kennismakingsweekend van Helios: In de nazomer van 2017 lopen we door het centrum van Venlo met onze gastheer Jos: een levende ode aan de flowerpower. 

Aan de lantarenpalen hangen bloembakken met witte, roze en rode bloemetjes die Jos plukt en in onze haren plaatst; ‘Nu zijn we net één grote familie’ zegt hij stralend. Even later drinken we bier op het gras vlakbij de Maas. We luisteren naar een spontaan optreden van een studiegenootje dat op de gitaar Dust in the wind voor ons speelt en we spelen spelletjes totdat het begint te schemeren. In de avond verkennen we het Venlose uitgaansleven. Omringd door ietwat corpulente mannen op leeftijd zingen we in een kroeg mee met de Duitse schlager top 100. 

Al bij al verliep de kennismaking met mijn studiegenoten wat prettiger en meer ontspannen dan de kennismaking van veel andere studenten in Nederland. Er werd weliswaar gekotst, maar gewoon op straat of in de wc en op vrijwillige basis. We werden wel gevoerd, maar niet gedwongen om te eten. We hadden ook geen uniform nodig om een jaarband op te bouwen; hooguit een bloem in het haar. Er werd gezongen, maar zonder dat iemand daar een trauma aan over hield. 

 

Een belangrijk achterliggend idee achter studentenontgroeningen is het opbouwen van een band tussen de nieuwe studenten. Daarover zou ik het volgende willen zeggen tegen bestuursleden van studentenverenigingen: Als jullie het voor het opbouwen van een jaarband noodzakelijk achten om feuten flink te laten afzien tijdens hun ontgroening, ga gerust je gang. Het is immers een eeuwenlange traditie. Daarnaast kun je er zeker van zijn dat de ontgroening een onuitwisbare indruk op de feuten achterlaat. Hebben jullie daarentegen geen zin meer in de afkeurende reacties van de media en de vooroordelen die mensen hebben over de ontgroening waardoor je bij voorbaat al gezien wordt als een afschuwelijke sadist? Dan stel ik het volgende voor... 

Neem een paar keer diep adem, zet een bloem in je haar en geef die feuten een paar warme knuffels. Het is misschien een tikkeltje revolutionair, maar het staat in elk geval vast dat je studenten een onvergetelijke ontgroening zullen hebben en met die jaarband komt het op die manier ook wel in orde.

(in aug. 2018 gepubliceerd in tijdschrift Absint (nr. 33))

Passie in het bos

Elk jaar bekruipt mij begin september een zekere onrust. Niet omdat het weer onstuimiger wordt, niet omdat het vroeger donkert en ook niet omdat de vakantie alweer voorbij is. Nee, er hangt iets in de lucht dat mijn diepgewortelde instincten wakker schudt. Het zijn de overblijfselen in mijn genen, van generaties van jagers-verzamelaarsgroepen. Mijn blik verandert; wordt scherper. Op elke vrije dag hoef ik ’s ochtends niet te bedenken wat ik ga doen. 

Afgelopen week was het weer zover. Ik trek hoge sokken aan, gooi een paar plastic tassen en chirurgenhandschoentjes in mijn fietstas en spring op de fiets. Tijdens het fietsen scan ik de omgeving af. De meeste walnootbomen zitten al in mijn systeem, maar het kan nooit kwaad om ze allemaal te kennen. Daar is er één! Gladde, lichte stam, grote bladeren en trosjes lichtgroene bolsters. Er loopt een rilling over mijn rug. Mijn handen beginnen licht te beven. Ik spring van mijn fiets, gris een plastic zak uit mijn fietstas en duik het bos in. In stealth mode sluip ik over het vochtige bladerkleed. De zoete geur van verval hangt in de lucht. Mijn ogen zwaaien als een radar van links naar rechts. De chirurgenhandschoen beschermt tegen de hardnekkige, gele walnootvlekken en de brandnetels. Dat wil zeggen, de brandnetels die ik nog niet met veel passie heb platgetrapt. Als een ninja cirkel ik onder de boom door. Bukken, rapen, sluipen, bukken, rapen, sluipen. Ondanks de frisse herfstwind loopt het zweet me over de rug. Ik duw eekhoorntjes aan de kant en stort me op elke noot. Door de opwinding word ik licht in mijn hoofd, maar dat heb ik nauwelijks door. Mijn hebzucht drijft alle andere gedachten en observaties naar de achtergrond. Na een stuk of acht bomen minder ik vaart. Bij de allerlaatste bomen van dit walhalla staan fietsen op het pad geparkeerd... rivalen! Hoewel ik normaliter meer een GroenLinks karakter heb, komt tijdens het rapen mijn VVD-mentaliteit omhoog. De man en de vrouw groeten mij vriendelijk. Ik voel het gewicht van mijn geraapte noten en weet dat er voor deze mensen binnen dit territorium voorlopig niets meer te halen valt. Heel even schiet mij een absurd idee te binnen. Ik zou kunnen delen... Nee, ik heb er hard voor gewerkt. Bovendien verdien ik ze meer dan zij omdat walnoten MIJN grote passie zijn. Nadat ik hun fietsbanden heb lekgeprikt, rijd ik naar een ander territorium. 

In een vredige woonwijk bij mij in de buurt stal ik de fiets, zeg ik een gebedje voor de boom en foerageer ik in mijn natuurlijke habitat. Zo scharrel ik een tijdje door het gras, tot een stemmetje mij doet opkijken. ‘Wat bent u daar aan het doen?’ Er staat een jochie met een fietsje naar mij te kijken. Eén voet op de trapper en de andere op de grond. Gelijk schiet ik in de boswachter rol: ‘Ik ben nootjes aan het zoeken’, zeg ik op een hopelijk vriendelijke toon (mijn onwennigheid met kinderen verbergend). Ik loop naar hem toe om mijn buit te laten zien. Hij kijkt ernaar en zegt: ‘Jammer dat je geen pletter hebt, dan kan je Nutella maken.’ Op dat moment laat mijn innerlijke boswachter een traan en zou ik dit kereltje het liefst op de hoogte willen brengen van alle verschillende nootsoorten die ik ken en hem dan ook gelijk opleiden in alle bessen en bramen die er in Nederland te plukken zijn. Maar in plaats daarvan lach ik hem toe. ‘Ja, jammer he?’ Het jochie kijkt mij aan met zijn grote, onschuldige ogen. Dan zeg ik iets waar ik zelf geen woord van geloof maar wat de meeste ouders toch wel zouden zeggen: ‘In de natuur kunnen ze giftig zijn en dan word je ziek.’, ‘Koop jij dus maar lekker nootjes uit de supermarkt’. Hij knikt begrijpend. Weer een rivaal minder. 

(in oktober 2018 gepubliceerd op de website van antropologisch tijdschrift Cul)